»Afgezien van het lesbianisme is ze bang voor antisemitisme
omdat ze zo gemakkelijk ›Jood‹ zegt en het meteen classificeert.«*
» ›Als je moeder Joods was,’‹ zei hij, ›dan ben jij ook een Jood‹.
Het maakte hem meteen ongemakkelijk om het woord ›Jood‹ uit zijn eigen mond te horen komen.
Misschien mochten alleen Joden het gebruiken na alles wat er was gebeurd; misschien rustte
er een taboe op...?«**
»De Joden vertegenwoordigen geen ras en hebben ook geen bijzondere eigenschappen.«***
In de laatste tijd heeft het woord Jood blijkbaar zijn weg gevonden naar het dagelijks gebruik onder schoolkinderen, die »elkaar antisemitisch beledigen« met »Jij Jood«1 En is het tenslotte niet in de laatste plaats op het schoolplein dat we de nieuwste sociolectische trends leren kennen, vooral wanneer ze gericht zijn zowel op solidariteit als op stigmatisering. Maar zou het niet raadzaam zijn om het woord en het gebruik ervan bij deze gelegenheid onder de loep te nemen, zoals het Joods Museum Zwitserland in Bazel heeft geprobeerd te doen met een installatie2, in plaats van alleen maar nutteloze of provocerende verboden en sancties uit te vaardigen? Het zijn uiteindelijk niet de jongeren die de woorden bedenken. Het is, zo u wilt, de ongebreidelde wilde groei van het culturele onbewuste, inclusief trauma's, die uit de sleuren en voegen van een tegenstrijdige samenleving naar buiten dringen.
Zonder twijfel stemt het gebruik van het ›J-woord‹ tot nadenken, vooral als het zo diep geworteld is in de cultuurgeschiedenis (in de ›joods-christelijke‹ cultuur). Het maakt echter een verschil, afhankelijk of gezegd wordt: ›Jood (die je bent)‹, ›jullie Joden‹ of ›wij Joden‹.
In tegenstelling tot de directe aanspraak die doorgans van ›buiten‹, dwz. van niet-joden kommt verschijnt het ›wij‹ als een pronomen van zelfverzekerdheid. Het was in deze zin dat de Duitse rabbijn Joachim Prinz 3 zijn mede-Joden nadrukkelijk aansprak in zijn boek Wir Juden (Wij Joden) uit 1934:
»Geen schuilplaats herbergt ons meer. Wij willen dat assimilatie wordt vervangen door iets nieuws: een toewijding aan de Joodse natie en het Joodse ras.«
Prinz had natuurlijk nooit gedacht dat deze toewijding aan het ras zo catastrofaal tegen hen gebruikt zou worden. Maar het boek was controversieel onder de tegenstanders van het zionisme, omdat het zich fel uitsprak tegen assimilatie, die de historicus Hans-Joachim Schoeps (die aanvankelijk zelfs bepaalde hoop had gevestigd op Hitler 4) expliciet verdedigde in zijn boek Wir deutsche Juden (Wij Duitse Joden).
›Jij Jood‹ klinkt daarentegen (net als het bekende Spasti (spastje) of Opfer (slachtoffer) heel erg als een belediging en wordt als ›antisemitisch‹ begrepen. Als zodanig is het niet primair en persoonlijk gericht tegen Joden (strikt genomen zou het, gericht tegen een Jood, slechts een ontmaskering zijn; voor een belediging is een denigrerende vergelijking nodig), maar gebruikt het een denigrerend stereotype, een generalisatie van abstracte, feitelijke of veronderstelde kenmerken, een gedesïndividualiseerd, uiteindelijk denkbeeldig karakter.
In een artikel voor het Jüdische Museum Hohenems in het Oostenrijkse Vorarlberg schrijft de socioloog Kurt Greussing hoe moeilijk het is om met het J-woord om te gaan:
»We moesten eerst leren omgaan met het woord ›Jood‹. We konden - en kunnen - het zeker niet in dialect zeggen. Want ›Der Herr Bollag isch an Jud‹ (›De heer Bollag is een Jood‹) is duidelijk pejoratief, en niet alleen op een vage manier (zoals ›Steirer‹ [dwz. iemand afkomstig uit Stiermarken] bijvoorbeeld, voor een tijdje), maar zonder twijfel antisemitisch. En als je in dialect ›Der Herr Bollag isch Jude‹ (›De heer Bollag is Jood(s)‹) zegt, als een vriendelijk alternatief, staat er een Hoogduits woord (›Jude‹ met een ›e‹) als een onhandelbaar vreemd lichaam in de mond en in de communicatie - niet anders dan de woorden ›arbeiten‹ of ›Arbeiter‹ (werken/arbeiden of werker/arbeider), die ook niet bestaan in het (Hoog)Alemannische dialect van Vorarlberg. Dit komt omdat ›schaffa‹ in het traditionele dialect voor ›arbeiten‹ (werken) staat en ›Fabriklar‹ (dwz. iemand die in de fabriek werkt) voor ›Arbeiter‹«5.
Hoe onzeker het gebruik van het J-woord na de Tweede Wereldoorlog was, en zeker niet alleen in Duitsland, blijkt uit analoge geschillen, zoals die in Engeland, Frankrijk en Nederland over de uitleg van de vermeldingen ›Jood‹, ›Juif‹ ' en ›Jood‹ in woordenboeken en encyclopedieën. In 1969 spande de textielhandelaar Marcus Shloimovitz, lid van de Board of Deputies of British Jews, een rechtszaak aan tegen de uitgever van het Oxford English Dictionary, waarin onder het trefwoord ›Jew‹ onder andere wordt uitgelegd: »een persoon van het Hebreeuwse ras; een Israëliet ... als bijv. voor een hebzuchtige, meedogenloze geldschieter of woekeraar, of voor een koopman die onverzettelijk onderhandelt of afdingt«, en dat naast het zelfstandig naamwoord het werkwoord ›to jew‹ bevat, in de betekenis van ›bedriegen of profiteren, zoals wordt toegeschreven aan joodse kooplieden en woekeraars‹. 6 In dit geval, net als in andere gevallen waarin vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap zich belasterd voelden, rechtvaardigden de redacteuren zich door te stellen dat het de taak van hun werken was om de taal in haar historische diepte en dagelijkse taalkundige breedte weer te geven. Overeenkomstige klachten over uitleg en voorbeelden van het denigrerend gebruik van het woord ›Jood‹ zijn ook te vinden in Frankrijk 7 en Nederland. De editie van 1992 van het Van Dale Woordenboek der Nederlandse Taal, het standaardwerk over de Nederlandse taal dat sinds 1864 wordt gepubliceerd, voegt eraan toe: ›Jood‹ werd »in het verleden met verschillende toevoegingen gebruikt als smaadwoord of scheldwoord, zinspelend op bepaalde (meestal slechte) eigenschappen die door vooroordelen soms aan Joden worden toegeschreven; te gewiekste, geraspte koopman.«
De hoofdredacteur van Van Dale, H. Heestermans, benadrukte voor de 12e editie expliciet dat er nu op het mogelijk beledigende of beledigende karakter gewezen en uitgelegd werd:
»Ik heb vrij lang met joodse mensen gesproken over het woord jood in de geïncrimineerde betekenis - ›woekeraar, afzetter, al te handige zakenman‹. Velen van hen vinden dat ik dat woord moet schrappen. Maar dan zeg ik altijd: dan moet ik ook andere woorden schrappen, zoals boer. Bovendien zou ik door de betekenis van dat woord te schrappen de taalwerkelijkheid geweld aandoen. Dan zou Van Dale lijken op een Russisch geschiedenisboek, dat bij elke nieuwe regering de geschiedenis herschrijft.«8
De taalkundige H.J. Verkuyl ergerde zich »over de inadequaat gevoerde discussie over het woord jood in Van Dale in de jaren zeventig en tachtig«. Hij had bedenkingen bij het opnemen van denigrerende connotaties van ›Jood‹ en beschuldigde Heestermans in dit verband van nalatigheid, onprofessionaliteit en leugenachtigheid. Nalatigheid, omdat hij de ›Joodse mensen‹ met wie hij had gesproken in de mond legde om een woord te schrappen; het ging alleen om het schrappen van de verwerpelijke betekenis van het woord. Verkuyl merkt ook op dat Heestermans ›Joodse mensen‹ gebruikt in plaats van het woord ›Joden‹ - blijkbaar kan het woord Jood niet meer neutraal gebruikt worden. Verder is de redacteur van Van Dale
»onprofessioneel omdat taalkundig gesproken de ›geïncrimineerde betekenis‹ niet valt onder een regulier betekenisbegrip: stereotypering is niet hetzelfde als betekenistoekenning; onwaarachtig, omdat Heestermans het probleem toespitst op één woord, het woord jood, terwijl er ruim zestig in het geding waren.«9
Hoewel de 12e editie de helft minder Joodse samenstellingen had, betreurde Verkuyl een »ingeslopen en niet geheel verwijderd restant antisemitisme in Van Dale«10 en sloot hij ›antisemitisch taalgebruik‹ bij de redactie niet uit. In 2014, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van Van Dale, keek Ewoud Sanders terug op het proces dat in 1970 door een rechtszaak in gang was gezet en maar niet ten einde zou komen (»Vooral de Joodse gemeenschap protesteerde geregeld«). In het tijdschrift Onze Taal traceerde hij de zaak van de ›oude, vuile Jood‹ om te stellen: »Van Dale leek niet te buigen - en deed dat uiteindelijk wel.«11 Sanders sloot af met de constatering:
»Sommige taalkundigen en historici vonden het onverstandig dat Van Dale in 1992 tientallen ‘jodensamenstellingen’ - waaronder allerlei volkomen neutrale - heeft geschrapt. In de eerste plaats voor Van Dale zelf: het woordenboek ondergraaft hiermee zijn eigen uitgangspunt, namelijk dat het zo objectief mogelijk de taal van de laatste honderdvijftig jaar beschrijft. Maar bovendien: onze woordenschat maakt veel duidelijk over de geschiedenis van de Nederlandse Joden én over de geschiedenis van het antisemitisme in Nederland. Van Dale, waarvan de oudste druk nota bene door twee Joodse zwagers is gemaakt, was in dit opzicht een belangrijke en nuttige bron - ook in rechtszaken bijvoorbeeld. Dat is nu niet langer het geval."12
Omgekeerde overwegingen hadden de redactie van de Duden tot een radicalere conclusie gedreven, te kort door de bocht, zo bleek. De Duden adviseerde om »in deze situaties de term ›Joodse mensen‹ te gebruiken of andere varianten te kiezen, bijvoorbeeld ›Joodse medeburgers‹.«13 Het woord ›Jood‹ zou »door de herinnering aan het nationaalsocialistische taalgebruik als discriminerend worden ervaren«. Als dit werd gedaan uit anticiperende gehoorzaamheid (na een bezoek aan schoolpleinen misschien), wie meende de Duden dan te moeten gehoorzamen? Even was ik geneigd om het eens te zijn met de voorzitter van de Centrale Raad van de Joden in Duitsland (en het kost altijd een beetje moeite om het eens te zijn met iemand wiens overtuigingen je helemaal niet deelt), die protest aantekende bij de redactie van de Duden. »Zelfs als (Jood) pejoratief wordt gebruikt op schoolpleinen of slechts aarzelend door sommige mensen, en de Duden redactie is zeker goed bedoeld door op deze context te wijzen, moet alles worden vermeden om de term als discriminerend te bestendigen.« De oorspronkelijke Duden vermelding :
»Af en toe wordt de term Jood, Jodin als discriminerend ervaren vanwege de herinnering aan het nationaalsocialistische taalgebruik. In deze gevallen wordt meestal gekozen voor formuleringen als Joodse mensen, Joodse medeburgers of mensen met een Joods geloof.«
werd vervolgens gewijzigd in:
»Vanwege hun antisemitische gebruik in het verleden en heden, vooral tijdens het nationaalsocialistische tijdperk, zijn de woorden Jood/Jodin al decennialang onderwerp van discussie in de taalgemeenschap. Tegelijkertijd worden de woorden op grote schaal als vanzelfsprekend gebruikt en niet als problematisch ervaren.«14
Het zou ook verrassend zijn geweest als het bezwaar van de Zentralrat in deze kwestie met betrekking tot zijn klantenkring geen effect zou hebben gehad. Omgekeerd zou men echter van een voorzitter van de Zentralrat willen weten waarom hij het niet uitdrukkelijk toejuicht dat, in overeenstemming met de aanbeveling van het woordenboek van Duden, in het openbaar over Joden wordt gesproken als ›medeburgers‹ en ›medemensen‹15, waardoor hun - Joodse - geloof onaangetast blijft in deze republiek, waarin de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing grondwettelijk is gewaarborgd16.
Tragisch genoeg, zou je kunnen denken, zijn de vertegenwoordigers van een etnisch Jodendom en die van een etnisch Duits twee groepen die, zoals zo vaak in schijnbaar onverzoenlijke constellaties, meer met elkaar gemeen hebben dan ze willen toegeven; die maar al te bereid zijn om ›de Jood‹ in die stereotypen te herkennen en hen herhaaldelijk te belasten met die negatieve connotaties die rampzalig zijn gebleken. Wat ze beiden gemeen hebben, is dat ze een ›völkische‹ ideologie aanhangen die gebaseerd is op ras. En het zijn uitgerekend de vertegenwoordigers van een conservatief tot extreem-rechts zionisme die nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om ›de Jood‹ als doelwit van wrok en vernedering aan te wijzen in een symbool, in een karikatuur, in een kleinerende voorstelling; die zich persoonlijk aangevallen, beledigd en vervolgd voelen door iets dat hen, als ze er al niet met trots naar wijzen, koud zou kunnen laten. Zij zijn de voorstanders van antisemitisme die, zoals op de documenta, er een zeker genoegen in scheppen om een sluimerende aandacht voor kunst te richten op oude verwrongen beelden van de Joodse cultuur. Je zou kunnen denken dat nu de cultuur van de sjtetl en de Joodse buurten onherroepelijk is verteerd door de getto en de Holocaust, deze stereotypen, net als veel andere dingen die tot het verleden behoren, goed bewaard lijken te zijn voor het nageslacht in literatuur, kunst, musea en archieven.
(Toen we onlangs naar de nalatenschap van een familielid keken om te zien wat nuttig en het bewaren waard leek, viel mijn oog op de portemonnee van de overledene. Opgemerkt moet worden dat de overledene altijd een goede smaak had gehad in haar keuze van spullen, maar helaas zwaar verslaafd was geweest aan nicotine. Deze verslaving had haar olfactorische neerslag gevonden in de hele flat en alles wat zich daarin bevond, op zo'n manier dat de nabestaanden het moeilijk vonden om met de nalatenschap om te gaan. Vooral boeken, textiel en mooie leren voorwerpen, waarvan sommige onherstelbaar verloren gingen, en de eerder genoemde portemonnee waren het slachtoffer. Nu is nicotine bekend als een extreem hardnekkig geurvormend middel, dat niet alleen moeilijk te verwijderen is, vooral uit leer en organisch materiaal dat er voortdurend aan blootgesteld is geweest; zoals oudere mensen zich zullen herinneren uit hun dagen van ongeremde nicotineverslaving na cafébezoek, verspreidt het zich ook gemakkelijk naar voorwerpen in de buurt die ermee in aanraking komen. Ik was dus niet zeker van mijn bereidheid om mij de beurs toe te eigenen of beter gezegd: mezelf eraan bloot te stellen.
Dat ik hem ondanks alles bewaarde, was omdat ik hem mooi vond en omdat hij, als voorwerp dat je elke dag oppakt, voorbestemd leek als aandenken aan de overledene. Dus ik vestigde al mijn hoop en vertrouwen op het feit dat de onaangename geur eerder vroeger dan later zou verdwijnen door constant gebruik - behalve misschien een niet afsluitbaar restje dat zich aan het goede stuk zou vastklampen als iets persoonlijks en vertrouwds. Dus als het zo zou zijn dat het ›J-woord‹ (door eeuwenlang misbruik) een ›slechte geur‹ heeft, maar we geven om de Joden, kunnen we dat dan niet bewijzen door de naam te gebruiken in onze dagelijkse omgang)?
Intussen gaan uitgerekend in het ›land der Joden‹ onverwachts afgronden open die wij (nou ja) niet voor mogelijk hadden gehouden, omdat we (uit onwetendheid of onnozelheid) zoveel hoop hadden gevestigd op Israël, dat als het ware uit de as van die ›6 miljoen‹ is verrezen; dat met Yad Vashem een heiligdom van gerechtigheid heeft waaraan tot nu toe elke Duitse politicus zijn eer heeft bewezen; een land met Bethlehem als het keerpunt van de tijd, de Tempelberg als de navel van de monotheïstische wereld; een democratie, zoals ons werd verteld (verteld wilde worden), tot eeuwige bloei gebracht door de ijver en vindingrijkheid van de Joodse immigranten 17, die een voorbeeld is voor het Arabische despotisme en totalitarisme van het Midden-Oosten. Als je daar echter naar kijkt (niet noodzakelijkerwijs door de lens van de Duitse media), realiseer je je dat het populaire stereotype van de Jood als hebzuchtige, moordende geldschieter, woekeraar en kindermoordenaar niet nodig is; je hoeft alleen maar te kijken naar de persberichten over actuele gebeurtenissen in de door Israël bezette gebieden, waar je de zionistische onderbuik van een fundamentalistisch Jodendom tegenkomt waarin deze stereotypen welig tieren:
»Kinderen groeien op zonder tastbare herinneringen aan hun ouders, geen foto, geen sjaal met de geur van hun moeder of de schoenen van hun vader om later te dragen. Niets. Ondertussen worden ze uitgehongerd. Konvooien met voedsel worden tegengehouden door Israëliërs die dansen en grapjes maken over de uitgemergelde kinderen. Kinderen likken aan lege borden, tieners met een witte vlag worden doodgeschoten, mannen worden door tanks overreden alsof het insecten zijn. De mannen worden niet eens genoemd in de cijfers. Alsof hun dood niet meetelt. Verzwakt en vernederd proberen ze met hun magere lichamen hun geliefden te beschermen.«18
De beste wil om de oude stereotypen van de Jood, meestal verbeeld door rechts, voor eens en voor altijd uit de verbeelding van de niet-jood te bannen, stuit in Palestina op politieke omstandigheden in de realiteit van een strijd tegen het verzet van de Arabische bevolking gestileerd als zelfverdediging - die muteerde in terrorisme dankzij en met de steun van de radicale zionisten, waarbij de poging om het verzet definitief te breken door het Semitische broedervolk non-existent te verklaren, hen hun bestaansrecht te ontzeggen en hen hun land te ontnemen, deze stereotypen op hun beurt een nieuwe lading geeft. Het feit dat het moeilijk is om dit tegen te gaan, is niet zozeer te wijten aan het feit dat de radicale zionisten hun claim op het land tussen de Jordaan en de Middellandse Zee met alle middelen proberen te realiseren door middel van verdrijving en het bouwen van nederzettingen, maar meer aan het feit dat het zionisme ›de Joden‹ gebruikt om de Palestijnen uit te wissen van het idee van Israël als hun thuisland, alsof ze nooit hebben bestaan.
Dit is net weer gebleken uit de nuchterheid waarmee overal werd benadrukt dat de Joodse zangeres Eden Golan, die opgroeide in Rusland met Lets-Oekraïense ouders, deelneemt aan het Eurovisie Songfestival 2024 als de ›stem‹ van dit Joodse Israël. Het optreden in Malmö ging gepaard met felle protesten tegen haar deelname. (Mevrouw Golan moest immers afzien van haar oorspronkelijke voornemen om een lied over de aanslag op 7 oktober ten gehore te brengen). Van de tweeënvijftig vertegenwoordigers van Israël die sinds 1972 aan het ESC hebben deelgenomen, hebben bijna allen in het Hebreeuws gezongen, slechts een paar in het Engels. Alleen het lied There Must Be Another Way, waarmee Noa en Mira Awad in 2009 als Joods-Arabisch duo deelnamen aan het ESC in Moskou, bevatte voor het eerst (en voor het laatst) Arabische teksten naast Hebreeuws en Engels. De Joods-Ethiopische zangeres Eden Alene, die in het Amhaars en Ethiopisch zou zingen, trad in 2020 niet op vanwege de Covid pandemie. Dat Israël überhaupt deelneemt aan een Europese popcompetitie komt doordat het ESC wordt georganiseerd door een instelling van de European Broadcasting Union. Naast Israël doen Libanon, de Maghreblanden (met uitzondering van Libië), Egypte en Turkije mee als niet-Europese landen.
Daarnaast gaan Joden binnen en buiten het land, die het beeld van de kleine zionistische wereld van Erez Israël niet delen, gebukt onder de aanspraken van de Joodse staat, die pretendeert de Joden van de wereld te vertegenwoordigen, het Jodendom voor de Joden, en zo die denkbeeldige Jood te verheffen tot voetstuk voor de hele wereld, waarop de wereld al het ongeluk projecteert dat ze met hem associeert, zelfs als het is om af te leiden van de eigen wandaden. In de regel zijn het die blauwogige Joden die niets verwerpelijks kunnen vinden in het idee van een Joodse staat, die verbaasd zijn als hen dit in het gezicht wordt gewreven. »De haat van een literaire coterie,« schreef Karl Kraus in het eerste nummer van de Fackel, »heeft gezelschap gekregen van de woede van de nieuwste georganiseerde politieke zwendelaarsgroep. Ze noemen zichzelf ›zionisten‹ en willen het bestaan van een nieuwe Joodse natie in het zo door nationalistische rancune vervuilde Oostenrijk bevestigen en het verlangen naar het Beloofde Land opdringen aan argeloze voorbijgangers die gelukkig zijn ontsnapt aan de antisemitische uitwassen die naar hen worden gegooid.«19
Het zijn noch ›de Jood‹ noch ›de Joden‹ - het is een bepaald deel van de Joodse gemeenschap, geïnspireerd door een nationaal-etnisch idee, dat, zoals meestal het geval is, in zijn onbuigzame koppigheid zo goed kan opschieten met de onbuigzame koppigen van deze wereld, wiens missiebewust racisme wordt gedeeld door dat deel van het christendom dat bekend staat als christelijke zionisten. Zij steunen ideologisch de Joodse zionisten, de Hebreeën, en bieden financiële steun in en vanuit de VS. Ze kapen het ›Jodendom‹ als een volk en religie en bezetten het concept van de Semiet door hun constructie van ›antisemitisme‹, zoals ze Palestina hebben bezet, gekaapt en misbruikt. Met de term ›antisemitisme‹ werd de Semiet semantisch ingelijfd, verwijzend naar de Jood om de aandacht af te leiden van Israël, een zwakte van het postmoderne imperialisme, het litteken van het Duitse geweten in het Midden-Oosten dat weigert te helen.
* J.J. Voskuil over zijn vriend Suus Overstegen-Hoven. J.J. Voskuil, Bijna een man. Dagboeken 1939-1955, Amsterdam [Van Oorschot] 2022, p.168.
** Harry Mulisch, De Ontdekking van de Hemel.
***Encylopedia Italiana, Roma 1932.
1 welt online, 19 juli 2017.
2 "Letterlijk Joods. A History of Interpretation”, installatie in het Joods Museum Zwitserland,
Bazel, 2021-2023.
3 Prinz, die emigratie naar Palestina propageerde, emigreerde zelf naar de Verenigde Staten, waar hij
vicevoorzitter van het World Jewish Congress en voorzitter van het American Jewish Congress werd.
(In 2019 publiceerde Piper-Verlag een verzameling essays van Hannah Arendt onder dezelfde titel). 4 Hij stond hierin niet alleen, zoals te
lezen is in de vroege aantekeningen in de dagboeken van
Victor Klemperer. Veel Joodse Duitsers uit de middenklasse stemden conservatief of Duits-nationalistisch,
net als christelijke Duitsers, en hielpen Hitler aan de overwinning. 5 Kurt Greussing, “Der Heimatklang des Antisemitismus”, in: Heimat Diaspora. Das jüdische Museum Hohenems,
Hanno Loewy (red.), Hohenems 2008, pp. 256-262, p. 256. 6 David B. Guralnik, “‘Jew’ as a defamation in the dictionary”, in: Sh'ma: A Journal of Jewish Ideas,
Vol. 4, No. 76 (1974), pp. 123-125, p. 123. Guralnik, redacteur van deWebster's New World Dictionary of
the American Language, gaat in op de weigering van de redacteur van de OED, Robert Burchfield, om toe
te geven aan de eis van Shlomoivitz en spreekt van Guralnikismeals een vorm van censuur. Guralnik zou
er zijn eigen redactionele praktijk tegenover stellen: “Bijvoorbeeld, voor het gebruik van Jood als
werkwoord voegden we toe: ”vulgaire en beledigende uitdrukking, in toespeling op methoden die door
antisemieten worden toegeschreven aan Joodse kooplieden.” In de jaren na de publicatie van dat werk had
ik reden om te twijfelen aan de wijsheid van onze beslissing. Uit brieven van gebruikers van het
woordenboek bleek dat sommigen de bijvoeglijke naamwoorden in een noot als die bij neger (“een
vulgaire, beledigende term van vijandigheid en minachting, zoals gebruikt door negerhaters”) verkeerd
begrepen als van toepassing op het slachtoffer van de epitheton in plaats van op de term zelf. [Ik vroeg
me af of de opname van zulke termen in het woordenboek, met of zonder notatie, ze niet juist respectabel
maakte en het gebruik ervan in stand hield. 7 Jacques-Philippe Saint-Gérand, “Le mot ‘Juif’ et le mot de ‘Juif’ à l'étrange réfraction des
dictionnaires (1762-1900)”,Romantisme, 2004/3 (n.125), pp. 57-37. 8 Aangehaald in: H.J. Verkuyl, “Hoe goed en hoe fout is Van Dale. II. Hoe fout is Van Dale?”,
De Nieuwe Taalgids, 86/1993, pp. 303-327. 9 H.J. Verkuyl, op. cit. 10 Zonder “individuele redactieleden”
van Van Dale (1e-12e druk) van antisemitisme te willen beschuldigen,
voegt hij er in een voetnoot aan toe dat het “een bekend gegeven was dat de WNS-lexicografie in Nederland
voor de Tweede Wereldoorlog sterk Duits georiënteerd was, maar of deze huldigingsverplichting bij sommige
WNS-redacteuren consequenties had voor hun maatschappelijke en politieke overtuigingen” was hem “niet bekend”. 11 Ewoud Sanders, “'Oude, vuile Jood!
Het meest omstreden woord in Van Dale', in: Onze Taal 83/2014. 12 Ewoud Sanders, op. cit. 13 Naomi Lubrich, “Debatte über den
Begriff ‘Jude’: Der Duden sollte nicht vor Schulhof-Rassisten
kapitulieren”, Tagesspiegel, 10 februari 2022. Naomi Lubrich, directeur van het Joods Museum
Zwitserland Basel, verwees in dit verband naar de speciale tentoonstelling Buchstäblich Jüdisch. Een
geschiedenis van interpretatie in haar museum. 14 “Duden redactie reageert op kritiek van de
Centrale Raad”, Jüdische Allgemeine, 14 februari 2022. 15 Ook Henry Bernhard,
regiocorrespondent van Deutschlandfunk voor Thüringen, staat hier argwanend
tegenover: “Wie een ander met een bijvoeglijk naamwoord medeburger noemt, trekt een lijn tussen hem
en hem, tussen zichzelf en de ander, maar geeft hem verbaal een schouderklopje, in een paternalistische
houding. Hij krijgt te horen dat hijzelf 'normaal' is, maar dat de ander op de een of andere manier
anders is, zwakker, zorgbehoevend.” Toch kan het niet helemaal van tafel als hij stelt: “En dan zijn
er nog de ‘medeburgers van het Joodse geloof’, ‘Joodse mensen’, ‘mensen van Joodse afkomst’. Nee,
'Jood' is geen scheldwoord, maar wie het woord bewust vermijdt, suggereert dat het woord 'Jood'
beter niet uitgesproken kan worden.” (Henry Bernhard, “Warum man Juden nicht Mitbürger nennen
sollte”, mediasres, Deutschlandfunk, 9 november 2023.) Dit is echter ook een manier om steeds
weer nieuwe discriminerende verbindingen te vinden en zo het tegenovergestelde te bereiken van
wat de bedoeling is. 16 Art. 4 Grondwet: (1) De
vrijheid van geloof, geweten en godsdienstige en levensbeschouwelijke
overtuiging is onschendbaar. (2) De ongestoorde godsdienstoefening is gewaarborgd. 17 "Na de zegevierende stichtingsoorlog
van 1948 [...] groeide de bevolking snel. Eind 1949 waren
er 340.000 nieuwe immigranten aangekomen uit de ontheemdenkampen in Europa. Dit werd gevolgd door
ongeveer hetzelfde aantal Joodse immigranten. [...] Israël was niet in staat om deze bevolkingsgroei
te absorberen. [Vergeleken met West-Duitsland was Israël arm.” Duitsland was “de belangrijkste bron
van economische hulp voor Israël tot 1965” (Lily Gardner-Feldman) (Daniel Marwecki, op. cit., p.38 e.v.). 18 Hansnae Bouazza, “Ongelijkheid
is zelden op zo'n obscene manier gevangen”,NRC, 8 maart 2024. 19 Die Fackel, nr. 1, Wenen, begin april 1899, p. 4.
Heestermans' voorbeeld van de boer verdient enige aandacht in zoverre het de aandacht vestigt op het
ten diepste problematische karakter van het 'volk' in het algemeen: de perceptie van mensen als leden
van een groep ('boerenvolk', 'reizend volk', 'scheepsvolk', 'dichtersvolk', etc.) die als vreemd en
gemarginaliseerd worden gezien vanwege hun handel, gewoonten of houdingen leidt er gemakkelijk toe dat
zij het doelwit en de prooi worden van verwijten in gevallen van conflict. Net als bij het aanspreken
van 'je' tot 'jij', is het maar een stap van het grappige 'volkje' naar het kleinerende 'volkje', van
plagen tot bedreigen.
“In het noorden van Engeland, in de buurt van Manchester, woont een man die Shloimovitz heet. Het is de
gewoonte van de heer Shloimovitz om elk nieuw woordenboek dat wordt gepubliceerd te onderzoeken en, als
het een definitie van 'Jood' bevat waar hij het niet mee eens is, te proberen een aanklacht in te dienen
wegens het aanzetten tot rassenhaat [...] De heer Shlomovitz is tot nu toe niet in zijn opzet geslaagd,
want Engelse rechters hebben het argument aanvaard dat het de plicht van de lexicograaf is om de taal
op te nemen zoals hij die vindt, hoe onsmakelijk die ook is.” Jean Branford, “A Dictionary of
South African English: New Enlarged Edition” (Recensie), in: English in Africa, Vol. 8, No. 1
(maart 1981) pp. 73-85, p. 73.